Oud papier GFT container
Print

 

Slener in de spotlight: Arthur Verdoorn
 

Sla in de Dalerstraat in Erm af bij de afgeknotte molen en je vindt in de molenaarswoning een bijzondere man, Arthur Verdoorn. Hij woont er samen met zijn vrouw Sasja. De molen is een geliefde woonplek voor hen en na veel zoeken heeft Arthur nog een oude foto van de molen, met de wieken er nog aan, gevonden. Een foto uit 1929, die nu in de molen hangt.

Ik word zeer hartelijk ontvangen aan de keukentafel met koffie en een vrolijke lach. Aan dezelfde tafel, blijkt later, is Arthur ooit zijn succesrijke elektronicabedrijf begonnen. We praten honderduit over het leven zoals het aan hen voorbij is gegaan en nog doet. Sasja is kunstenares en Arthur verzamelt en koestert 19e eeuws antiek blikken speelgoed. De vroegere bedrijfsruimtes staan vol met vitrines met een prachtige afspiegeling van het 19e en vroeg 20e-eeuwse leven in blik.

De kennis van al dit speelgoed is erg groot en Arthur heeft hier drie prachtige boeken c.q. catalogi over gemaakt, die toonaangevend zijn op dat gebied. Alle foto’s in die boeken heeft hij zelf gemaakt. De verzameling is zo groot dat zij binnenkort in twee musea wordt ondergebracht om haar voor het nageslacht veilig, en in goede en gepassioneerde handen, te stellen.

Maar gevraagd naar Arthurs leven speelt zijn jeugd tijdens de tweede wereldoorlog een heel belangrijke rol in zijn vorming en hoe hij geworden is.

Hierna volgt zijn persoonlijk geschreven levensloop:

In Arnhem ben ik geboren op 30 januari 1935.

Ik woonde van 1936 tot 1940 te Voorburg, verhuisde in april 1940 naar Oosterbeek en logeerde daar aanvankelijk bij mijn gepensioneerde grootvader. Ik was daar, als vijfjarige, staande in mijn eentje aan het tuinhek van mijn grootvader, in mei 1940 getuige van de intocht van het Duitse leger. Zij waren op weg naar het toenmalige front op de Grebbeberg bij Wageningen, op 15 km afstand. De onophoudelijke stroom militaire vrachtauto’s, - de 'heen'- file met verse Duitse troepen en versterkingen en de 'terugstroom' met de gewonden en gesneuvelde Duitse soldaten, maakten op mij een eerste onuitwisbare indruk. Mijn inmiddels gescheiden moeder en twee jaar oudere broer verhuisden later in dat jaar 1940 ook naar Oosterbeek en wij kwamen te wonen in een villa naast de villa van mijn grootvader in de bosrijke omgeving van Hotel de Bilderberg. 

In de periode van 1940 tot 17 september 1944 (het begin van de Engelse luchtlanding, bekend als Market Garden) bezocht ik de Christelijke Lagere School te Oosterbeek. Moeder zorgde in de oorlogsjaren voor de twee jonge kinderen en ondervond daarbij veel steun van de familievriend, kunstschilder Johan Mekkink uit Velp, die één dag in de week op bezoek kwam en vanaf het moment van de Market Garden-operatie op 17 september 1944 het gezin niet meer verliet. 

De periode tussen 17 september, de dag van de luchtlanding, en het moment, 5 weken later, dat we huis en haard moesten achterlaten brachten we met ruim twintig mensen veelal door in een grote schuilkelder op het terrein van onze toenmalige buren. Een groot avontuur voor een 9-jarige jongen. Voor het eten waren we aangewezen op de door iedereen meegebrachte schamele voorraden, aangevuld met uit het geëvacueerde dorp Oosterbeek, uit de leegstaande onbemande winkels gehaalde proviand, die nu 'zonder distributiebon' of betaling kon worden meegenomen. Een in de bossen dwalende en gewonde melkkoe werd in onze tuin geslacht, evenals twee geiten, en talloze konijnen die in hun hokken de strijd hadden overleefd. Aan al deze activiteiten deed ik zonder gêne mee.

Het gevoel dat we bezig waren met deze groep mensen te moeten overleven in deze waanzinnige periode, verdoofde kennelijk mijn gevoel van medelijden met die ' arme en gewonde' koe of die geiten en konijnen die ter slachting werden geleid. 

Oosterbeek en Arnhem werden, na de door de Engelsen verloren strijd, aan het einde van oktober tot verboden woongebied verklaard en ontruimd. Ons gezin kwam terecht in Wekerom (gemeente Harskamp) op de Veluwe. We werden met 13 andere evacuees (vroegere buren uit Oosterbeek) ondergebracht bij twee oude samenwonende ongetrouwde broers die keuterboerden op een boerderij in het buitengebied van Wekerom. 

De strenge winter van 1944/45 werd overdag doorgebracht in een groot kippenhok met een grote houtkachel als verwarming (foto links) ’s Nachts sliepen de meesten op de hooizolder van de grote boerderij. (foto rechts: een paar personen uit de groep geëvacueerden in april 1945 met 2 bewoners/eigenaren van de boerderij) 

Het gezin Mekkink/Verdoorn mocht in de “opkamer”, de ruimte boven de halfhoge kelder, slapen. Verhoudingsgewijs was dat een “luxe” temeer omdat wij, de beide jongens, in een soort bedstede op een stromatras konden slapen. Desondanks liepen ook hier de muizen ’s nachts over het beddengoed en het aantal vlooien was er niet minder dan in het hooi op de hooizolder. 

Mijn dagelijkse taak bestond uit het zagen en kloven van brandhout voor onze kachel en het bedelen van melk bij al onze boeren-buren voor de dagelijkse roggepap. Ook werden mijn broer en ik 'dringend verzocht' om aanvullende etenswaar te 'organiseren' (=jatten) door legnesten van kippen te plunderen en de voor de Duitsers achtergehouden en verborgen zakken graan (bij het dorsen apart gehouden) te traceren en in gedeelten over te brengen naar ons dagverblijf, het kippenhok. 

In juni 1945 mochten we, onder strikte beperkende voorwaarden, terugkeren naar Oosterbeek. Het herstel van de woning die zonder ruiten negen maanden, onbewoond en door de Duitsers leeggeroofd, had doorstaan, kon beginnen en ik hielp daarbij (foto links).

In de periode juni 1945 tot oktober 1945 vertoefden mijn oudere broer en ik overdag veelal in de kampen van het bevrijdingsleger in onze woonomgeving. Mijn moeder waste voor de meestal Canadese soldaten en wij als 10- en 12 jarige jongens hielpen in de kampkeukens. Het overgebleven eten mochten wij verdelen onder de teruggekeerde bewoners van onze straat en bezorgden wij met onze zeepkist als transportwagen iedere dag bij hen thuis. Ook kregen wij, na overleg door de militaire leiding van de kampen, met mijn moeder een officiële en zeer gedegen opleiding in het demonteren en onklaar maken van in de bossen achtergebleven oorlogstuig zoals handgranaten, schokbommen en ander moordtuig. Later zou ik, toen het bezettingsleger vertrokken was, met mijn kennis daarvan en ervaring daarin enige malen zijn uitgenodigd voor advies en hulp door de plaatselijke mijnopruimingsdienst die tot taak had Oosterbeek mijnenvrij te maken. Ik ben nog steeds dankbaar dat mijn moeder ons toestond om die cursus in demonteren van oorlogstuig te volgen, anders hadden mijn broer of ik zeker minstens enige vingers of ander lichaamsdeel moeten missen. Onze tuin en de bossen om ons huis lagen er vol mee. 

In de periode september 1944 tot november 1945 was ik niet op school. Na terugkeer in Oosterbeek duurde het nog enkele maanden voordat de school zodanig was hersteld dat onderwijs weer mogelijk werd. Ik heb het onderwijs van de 4e klas door de evacuatie gemist en werd na mijn terugkeer op school in de 5e klas gezet. De ' 'gemiste leerstof' werd daarin deels 'bijgespijkerd'. 

Van 1948 tot 1955 (7 jaar) volgde ik het onderwijs aan de 5-jarige HBS-b. De twee jaren die ik op het Christelijk Lyceum te Arnhem doubleerde versterkten mijn algemene kennis en vooral de talenkennis. Frans, Duits, Engels en Nederlands naast vijf soorten wiskunde , scheikunde, natuurkunde, biologie, aardrijkskunde en bijvoorbeeld kosmologie. Ik profiteer er nog dagelijks van!

Van 1955 tot 1958 studeerde ik aan de Hogere Technische School –elektrotechniek in Amsterdam. Het diploma maakte me rijp voor de arbeidsmarkt die ook in die tijd gefrustreerd werd door de zogenaamde ' 'bestedingsbeperking' die ook toen al veel werkloosheid veroorzaakte. 

In 1960 begon ik mijn loopbaan als elektronicus in een instrumenten- en apparatenfabriek in Delft. De toen zojuist ontdekte analysemethode voor laboratoria, de 'gaschromatografie' gaf me volop gelegenheid mijn inventiviteit en werklust in de fabricage te ontwikkelen. De vele verkoopondersteunende reizen, ook achter het IJzeren Gordijn ontwikkelden mijn aandacht voor commerciële aspecten in deze branche. Na de overgang naar een ander bedrijf hielp ik mee in 1977 een nieuwe vestiging van mijn Delftse werkgever in Emmen te grondvesten (Kipp Analytica). Ik kocht een huis in Erm en trouwde hier met mijn tweede echtgenote. Na het faillissement van deze vestiging in 1982 besloten Sasja en ik niet naar het Westen terug te keren omdat we Drenthe inmiddels niet meer konden missen. 

Uit de failliete boedel van Kipp Analytica kocht ik de rechten en de overgebleven voorraad op het gebied van analyseapparatuur voor de milieu-industrie en vestigde een nieuwe BV met de naam EPM. De huisvesting van de tanende vestiging in Erm van de landbouwcoöperatie VLC in de molenstomp van Erm kwam, met de bijgebouwen, beschikbaar en werd aangekocht en gemoderniseerd. 

Met de hulp van een aantal hardwerkende en zeer goed gekwalificeerde medewerkers ontstond een succesvol bedrijf voor hoogwaardige en geavanceerde milieumeetapparatuur. Na het bereiken van mijn pensioenleeftijd in 2000 werd door hen het bedrijf te Erm en de in 1988 nabij Chicago (USA) gevestigde sub-vestiging door mijn medewerkers overgenomen en in 2003 opnieuw doorverkocht, nu aan een Amerikaanse grootafnemer van de EPM-producten.

Ik besloot de na 2003 vrijgekomen gebouwen nu te gebruiken voor eigen gebruik en het onderbrengen van mijn collectie oud speelgoed.

Het verzamelen van oud antiek mechanisch speelgoed is nu mijn passie. Ik ben daarmee op advies van mijn echtgenote en vrienden begonnen in 1991 als geneesmiddel voor mijn ' workaholicisme', mijn in die periode gevoelsmatige verplichting 'om nog even dit en dat te doen' in een periode dat je moet uitrusten. Een goed advies om een burn-out te voorkomen. Inmiddels is een groot deel van mijn verzameling nu te zien in een speelgoedmuseum in het Duitse Soltau op een kleine 300 km afstand van Erm. Het Franse deel van de collectie, gefabriceerd door Fernand Martin, hoop ik in een museum in de Jura onder te brengen. 

Daarmee heb ik de berusting bereikt en verdiend dat het prachtige speelgoed en erfgoed in goede en vakkundige handen is en bekeken kan worden door ons nageslacht en na mijn laatste reis niet in een afvalcontainer belandt.

Na het samen doornemen van dit prachtige verhaal zijn we naar de hallen gegaan om het speelgoed te bewonderen. Met liefde wordt elk object getoond en soms opgewonden om het te laten bewegen. Wat een plezier!

Bekijk hier alle foto's.

Foto's en verslag: Ton Trompert