Columns

De Pieterpadter

Vorige keer heb ik het uitgebreid gehad over de linedancer, die je overigens in de Verenigde Staten, in sommige staten, nog schijnt te kunnen aantreffen in zijn natuurlijke omgeving. Deze keer een geheel ander fenomeen dat nog letterlijk en figuurlijk rondloopt naar en rond Sleen.
De Pieterpadter.
Afkomstig uit een geheel ander reservaat. Ooit ontsnapt uit de zeehondencrèche te Pieterburen en gevlucht naar de Sint Pietersberg. Hij/zij deed dit in etappes en ruste hierbij uit in Sleen, komende vanuit Anloo. Een dag later ging hij door naar Coevorden, daarna naar Gramsbergen. Om aan de kost te komen heeft hij daar een boekje van gemaakt dat nu door allerlei wandeladepten als heilige wandel-Bijbel gebruikt wordt als leidraad voor een mooie Pieterpad wandeldag.

Olderwets duuster

Hej al zien dat de haan weer op de toren stiet ? En dat de klokken er ok weer an zit ? Ha man, wat’n opluchting. Ik was al bang dat ze steulen waren. ’s Mörgens stun in de kraant dat de goldpries nog nooit zo hoog west was, aanderdaags waren de haan en de klokken vot. Maar gelukkig, zie bint er weer. D’aol toren stun er ok jao zo haveloos bij. ’t Leek wal oorlog.
Trouwens, dat leek’t de leste tied wal vaker. Veural ‘s aovonds op plekken waor de straotlanteerns het niet deden. Ik miende dat zie dat oet bezuniging deden, maar ’t was net aansum. Er was juust te veul stroom, en doe waren de stoppen knapt of zowat. Zie zeden: Die stroom kwam bij Hazelaar veur op’t Haantie vot. Van die vergister, waor zo gruwelijk veul mais hen giet. Het zwembad zal er dunkt mij ok warmte van kriegen. Het bad kan heur nog wal an de kook kommen.

Bovag voor beesten

Dankzij een doelmatige lobby van de automobielindustrie en de krakkemikkige staat van de vroegere auto werd ooit de ‘beurt’ geïntroduceerd; om de zoveel tijd of kilometers doorsmeren, nakijken en factureren.
‘Dat kunnen wij ook,’ dacht een door gebrek aan klandizie geplaagde tandarts: alle cliënten halfjaarlijks in de wachtkamer, pijn of geen pijn, kaakrot of niet, altijd gegarandeerd werk.
Uiteraard konden de huisartsen door een tanende markt, voortschrijdend zakelijk inzicht, wie zal het zeggen, niet achterblijven en die vonden de griepprik uit en de suiker- en bloeddruktsjek voor ANBO’ers. Vorig jaar dacht ik: kom, wat goed is voor de baas is goed voor het paard, ik ga eens naar de dierentandarts om naar Foekje’s kiezen en tanden te laten kijken.

Waarom zo ver weg als het ook dichtbij kan

Hoe komt het toch dat tegenwoordig elke student in den vreemde, het liefst aan de andere kant van de wereld, praktijkervaring meent op te moeten doen. Tenminste zo komt het op mij de laatste tijd over.
Vroeger, toen ik nog een jonge god was, volstond het om op fietsafstand, hoogstens busafstand een instelling of bedrijf te bezoeken. Daar deed je dan door noeste arbeid praktijkervaring op.
Zat je op kamers dan bracht je de onwelriekende was naar mama. Geen haar op papa’s hoofd die er in die tijd aan dacht om deze nobele taak op zich te nemen. Vlak na aankomst bij het ouderlijk huis consumeerde je bij dit praktische familiebezoek dan tevens de gehele koelkast leeg. Wat je niet op kreeg werd je dan wel stilzwijgend toegeschoven door een moeder met een liefhebbende blik in de ogen. Hoefde je tenminste de volgende dag niet meer te koken en dat scheelde mooi in je portemonnee. Dat is tenminste één van die dingen die voor mijn gevoel weinig tot niets zijn veranderd.

Slijterij

Tabak, Timmer, Slik en Prins. Namen waar we als kinderen ontzag voor hadden. Zeker als de mensen die deze namen droegen waren gekleed in uniform. Met van die wijde broekspijpen, die onder de knie verdwenen in hoge schachten van gevaarlijk uitziende laarzen. En niet te vergeten de bijbehorende pet, waarmee hun gezag nog meer uitstraling kreeg en waar je al bang van werd, als de glimmende zwarte klep erop ook maar even in jouw richting keek, terwijl je toch zeker wist dat je niets had gedaan dat bij de wet verboden was, of zoiets. Ze waren in het dorp ook altijd zeer nadrukkelijk aanwezig. Niet vanachter een voorbij rijdende autoruit, maar op een degelijk rijwiel, dat hen was verstrekt door het Korps Rijkspolitie en waarop ze, als dat nodig was, met plichtsbesef de achtervolging inzetten. Blauw op straat was in het Bromsnortijdperk ook écht blauw op straat.

Linedancers

Volgens recente onderzoeken, uitgevoerd door zeer deskundige en betrouwbare bureaus, heeft ieder mens bepaalde latente gedachten en dromen over zaken die hij graag een keer zou willen doen, maar nooit zal realiseren. Zo ook ik.
Al jaren droom ik, en soms spreek ik het nog uit ook, van iets dat ik heel graag zou willen, maar nooit uitvoer. En net als deze gedachten in frequentie weer wegebben, en verdrongen worden door andere veel minder mooie dromen, nadert het eerste weekend in september en komen alle verdrongen gedachten versneld weer terug.
Want, met het naderen van de najaarsmarkt nadert ook het moment dat zij er weer zijn, mijn favoriete doelgroep, mijn idolen, mijn favoriete levenswijze, de Linedancers.
Een combinatie van humor, souplesse, choreografie, atletisch vermogen, fitness, muziek, aerobics, nostalgie en lifestyle vertegenwoordigd onder één noemer.

Peerdeviegen

Geert en ik kuiert nog wal ies over het tegelpad langs de sportvelden op de Jongbloedvaort an. En vanweek vrugen wij oes of hoe’t giet met de vlaggiesprikker in de hondekeutels langs dat tegelpad. Keutels ligt er nog wal hier en daor, maar gien vlaggies meer met mooie spreuken er op. Wij zagen trouwens nog wal een vrouwspersoon die zunder schaamte gewoon de hond schieten luut midden op het trainingsveld. Ej zullen zun mèens toch….
Zul er nog zulkswat als hondenbelasting bestaon, vrugen wij oes of ?
Sinds oeze Fikkie dood is, en da’s al weer helderop een jaor of wat, staot wij daor eigenlijk nooit bij stil. Maar vandeweek, vlak bij de bakkerswinkel, mus ik daor zo-in-iens weer an denken. Vlak bij ingang van de winkel lag een dikke öpper stront. Nee, niet van een hond. ’t Was peerdestront. Wal’n emmer vol ! Zul zun ruiter dat non niet vernimmen dat zien peerd daor een vlot stront hen schet, dacht ik bij mijzölf ? En trouwens, wat een gekke plek, zo vlak veur de bakkerswinkel. Wel komp daor non met’n peerd ? En wel möt dat weer ophemmelen ?

Mollen

De dood is overal. Ook op een camping. Net onder het gras. Een strakke klem heeft zijn werk gedaan. Met een mix van schroom en trots bekijk ik het zachte velletje, de bleke neus en de voorpoten, ik zou bijna voetjes zeggen.
‘Boer Klaas,’ hoor ik een heldere stem van een zesjarige naast me, ‘wat heb je daar?’
Ik toon de dode mol.
‘Dood?’
‘Als een pier.’
‘Mag ik hem voelen?’
Terwijl ik de ingedeukte ribbenkast met mijn hand bedek, laat ik Splinter de mol zien.
‘Mag ik ‘m?’
Uit mijn eigen jeugd herinner ik me de wens dode dieren aan te raken.
‘Nee, maar je mag hem wel aaien,’ en ik strek mijn hand uit naar Splinter, die inmiddels gezelschap heeft gekregen van zijn zus, Vlinder. Nieuwsgierige blikken. Onderzoekend.
Normaal gesproken kieper ik dode mollen over de heg, maar deze keer niet.
Verontwaardiging wanneer ik het dode beestje in de groene container gooi.

Vrouw in een mannenpen

Mijn nieuwe rondje is al lang niet nieuw meer. En mijn nieuwe omgeving is al even vertrouwd als mijn oude. En dat de hond nu meeloopt,daar ben ik ook lang aan gewend. Alles went namelijk. Het oude vertrouwde verdwijnt langzamerhand naar de achtergrond. Ook al is Sleen nog zo mooi en vertrouwd, dat geldt inmiddels ook voor Drijber. En ook hier wonen aardige mensen. En ook hier is veel te doen. De binding met Sleen, waar ik in mijn vorige column ook al over sprak, verdwijnt meer en meer. Vorige keer zei ik dat ik nog contact blijf houden door het schrijven van mijn columns. Maar dit is toch mijn laatste column.

Vakantie

Ik zit in het restaurant van de jachthaven van Kuressaare. Een aardig meisje brengt een cappuccino. Buiten giert de storm. Op de kade trekken vlaggen masten krom en de boten in de haven dansen aan de steiger. Het is windkracht 8 met uitschieters naar 9. Ik vaar mee op de Super Nova in de Golf van Riga. Terwijl ik in het restaurant zit te schrijven aan deze column, zitten Jan, Herman en Auke op de boot. Die ligt met de achterkant naar de steiger en met de punt schuin in de wind. 'We hadden gisteren toch een extra lijn moeten aanleggen', zei Jan de kapitein vanmorgen bezorgd. De boot ligt aan de voorkant maar met een lijn vast en de vraag is of die het wel houdt. Zo niet dan waaien we tegen de buurboot aan en moet er snel worden gehandeld om schade aan beide boten te voorkomen.

Een bijna tien.

In mijn vorige columns heb ik mij wel eens een beetje kritisch uitgelaten over bepaalde activiteiten en sferen. Daar werden weer een boel mensen nerveus van, omdat ze het niet snappen of willen begrijpen en die gaan daar dan weer raar op reageren.
Lieve mensen, ik heb alles ter harte genomen en wil vanaf nu alleen nog maar vrienden maken en niemand meer ongelukkig laten worden of laten ergeren. Ik geef het toe, het is moeilijk maar het moet. Per slot van rekening hebben we net het feest van de verbroedering achter de rug. Het feest van het collectieve vrolijk zijn, per straat, buurt, ja zelfs gehele dorp. Het maakte niet meer uit, Akker of Fontein, als we maar vrolijk zijn.

Straotversiering.

Hiel Slien is in de ban van’t Zudenveld. Trouwens, niet allen Slien, maar volgens oes ok de rest van Drenthe, want ’t is ’s aovonds tegen half elf net of de A-37 umleid wordt, dwars deur Slien hen.
Geert zeg wonsdag tegen mij: “Wij kunt oes tan’Aoltie ok nog wal ies even ophalen, ien dizzer dagen”. Tante Aoltien zit in “Heidehiem”. Zie komp zowat nargens meer, en daorum zul een bezuukie an oes versierde darp wal een mooi verzettien veur heur wezen, hadden wij zo dacht.
Gistermiddag tegen drie uur hef Geert heur ophaald, met rolstoel en al. Even een deken over de bienen, de jas an, das en kopdoek um, en zo scheuven wij even later met oes aole tante deur Slien.

Paardenkar

Vooral ’s zomers maak ik ritjes met de paardenkar. Kamperende gasten achterop, de kinderen beurtelings naast me op de bok en vaak buurman Jo erbij.
Paard Foekje inspannen (bestaan er mooiere namen? Eerst die zachte F, dan die rustgevende OE, afgesloten door een kloeke K en een wegglijdend appendixje). Een buurmeisje van vroeger heette Foekje, Foekje van der Zee, dochter van de melkboer. Vorig jaar nog stelde ik me voor aan een mevrouw die stralend haar voornaam Foekje noemde waarop ik haast nog stralender zei dat dat mijn favoriete meisjesnaam was waarop zij het toppunt van stralen bereikte, dat ik onnodig doofde door te vermelden dat mijn Friese merrie die naam ook draagt. Hoefschoenen aan, ja, je bent een moderne paardenman of niet; en dan, kalm stappend de Vijverbrinkenweg in; de in onze folder beloofde onthaasting begint nu op volle toeren.

Mijn lief

Het is donderdag, het wordt avond. Het is 23 april. De vergadering is twee weken uitgesteld. Niet vanwege mij, maar omdat er toch teveel bestuursleden niet aanwezig kunnen zijn. Kan ik me dus nog beter voorbereiden. Voorbereiden op mijn afscheid. Afscheid van SleenWeb. En van www.sleen.nu. Denk ik.

Ik rijd met gemengde gevoelens naar Sleen, vanuit het kleine en mooie Drijber, langs een prachtige route: het Mantingerveld, Meppen en Oosterhesselen. En ik neem gewoon deel aan de vergadering. Tot mijn afscheid nadert. Ik heb de behoefte om nog wat uit te leggen. Dat het wel raar is. Dat ik er vanaf het begin bij betrokken ben geweest, bij het nadenken over een website. Na de oproep die Geke had

Forum

Leuk idee, dat forum op sleen.nu. Iedereen kan op deze manier goeie en slechte ideeën kwijt over Slener zaken. Het slechtste idee tot nu toe, vind ik het verplaatsen van de grote zwerfkei bij het Armhoes naar het oude gemeentehuis, dat tegenwoordig multifunctioneel centrum heet. Het voorstel komt van Mojo Clinton. De jongens van Mojo vinden dat de kei, met een bordje erop omgetoverd tot oorlogsmonument, beter tot z’n recht komt op de door hen voorgestelde locatie. Mojo Clinton is een rockband en dat is waarschijnlijk ook de enige verklaring waarom ze zich met deze steen bezig houden.
Nog zo’n idee waarvan ik denk ‘wat moei d’r met’, is het plaatsen van een muziekkoepel op het grasveldje tegenover het appartementencomplex. Best handig als mijn ouders die daar wonen volgend jaar 60 jaar getrouwd zijn en het regent pijpenstelen. De serenade van Crescendo kan dan

Kolere herrie

Vooruitgang houd je niet tegen. Hoeft ook niet, maar dat wil niet zeggen dat we er op vooruit gaan. Maaide mijn opa nog met de zeis, mijn vader met een handmaaier, ik doe het met een benzine maaier. Daarnaast heb ik nog een kettingzaag, een kloofmachine, een versnipperaar, een bladblazer en een elektrische heggenschaar, en het vervelende is, ik gebruik ze ook nog. Net als de buurman, die hetzelfde heeft en gebruikt. En zijn buurman, en mijn overbuurman en ook zijn buurman En altijd gebruiken die buurmannen het spul als ik even niets gebruik, behalve een maaltijd. Maar dat merkt buurman niet, die heeft al gegeten en gehoorbeschermers op.

Paosen.

Wat is’t een bedrievigheid in Slien hè, non’t zulk mooi weer is. Elk is in de tuun an’t krabben, of’t leven er van ofhangt. En non hielemaol vanzölf, met het Zudenveld in aantocht.
En waor ik zölf slim bliede um bin dat is dat er weer een echt Sliener gebouw veur oes Slieners beschikbaar komp. Ik bedoel natuurlijk de Deel. Ej weet wal, waor vrogger Gerriet Bussemaker in woonde, en waor later de bibliotheek en de VVV in zat. De leste jaoren hiette’t zo-in-iens het Mariushoes. Ik moet eerlijk bekennen da’k er in die tied nooit binnen west bin. Och, ik haar oet neischierigheid nog wal ies kieken wilt, maar dan mus ik allen hen binnen. Mien Geert hef an zulkse galerieën al hielmaol gien oardigheid. En als ’e die karstenboom daor in de hof zag die daor half van de

Een nieuwe lente, een nieuwe dag, een nieuw begin.

Vrijdagmorgen 20 maart, 7.00 uur, een irritant geluid wekt mij uit de slaap der rechtvaardigen. Met het gevoel alsof ik ben overreden door het treinstel van de Betuwelijn kijk ik naar mijn wekker. Tijd om me om te draaien en nog even te soezelen zoals ik dat noem. Soezelen is tijd rekken, nog even een poging wagen om je wederom te begeven naar dat land van de slaap, vergetelheid, de droom en wat al niet meer. Een vreemde neiging, temeer daar tijd dan een oprekbaar begrip lijkt. Een kwartier verandert met een beetje geluk in een eeuwigheid. Deze morgen lukt het niet. Mijn anders zo stalen conditie van het lichaam is

Ode aan de buurman

Een jaar geleden schreef ik:
Mijn auto wilde vanochtend niet starten. De accu had het begeven. Tja, wat doe je dan? Ik loop gewoon de straat in, op zoek naar behulpzame buurmannen. En al vrij snel vond ik er een. Ja, hij wou mij graag even helpen. Hij duwde de auto uit de garage, parkeerde zijn auto heel dicht bij die van mij en bevestigde de startkabels. Mijn auto vond dit nog niet voldoende aandacht, en deed dus niets. Tja, aanduwen dan maar. Ook de vrouw van de aardige buurman kwam erbij, maar al wat er gebeurde, de motor begon niet te lopen. Gelukkig zijn er nog meer behulpzame buurmannen, die ook nog alles zien. Er kwam er dus

Ratelgoot

Er zijn dorpen waar je je bij binnenkomst zo ongeveer te pletter rijdt op objecten, die daar op de weg zijn neergezet als snelheidsremmers. Levensgevaarlijke obstakels zijn het, die in veel gevallen twee meter na het bordje ‘50’ al zijn opgeworpen en vaak niet eens verlicht zijn en ook niet middels waarschuwingsborden ver daarvoor worden aangekondigd. In het donker zo’n situatie binnenrijden is levensgevaarlijk en kan dus onmogelijk bijdragen aan het verbeteren van de verkeersveiligheid in het bijzonder. Hoewel in het algemeen de snelheid er bij aanraking natuurlijk wel meteen uit is. Sleen kent deze obstakels niet. Als je vanaf Erm komt rijden, moet je wel afremmen om de bocht te halen. Kom je uit de richting Diphoorn,