Sleen anno 2050
De oude Drentse boerderijen rondom de Brink herinneren eraan dat men hier eeuwenlang leefde van het land. Er is nog een handjevol boeren. De één is groot en technologisch met emissiearme stallen, robots, sensoren, drones en precisielandbouw. Een ander maakte ooit de keuze voor extensiever boeren met minder dieren, natuurbeheer, streekproducten of een combinatie met recreatie en energieproductie. Beiden worstelen ze met de samenhang van regels, vergoedingen, voedselprijzen, marktwerking en een onzekere toekomst. Verder zien we boerenerven waar de boer plaats heeft gemaakt voor woningen of een zorgvoorziening.
Het landschap oogt minder agrarisch, maar wel groen. Schapen staan achter wolfwerende rasters. We zien geen ander vee in de wei. Een hectare land moet voedsel produceren, water vasthouden, CO2 bergen, biodiversiteit bevorderen, een aantrekkelijk landschap bieden met veel natuur en wilde dieren, recreanten ontvangen, energie leveren én een inkomen bieden aan die overgebleven boer. Landbouwgrond wordt gebruikt om rechtstreeks voor mensen te produceren. Het beetje grond dat niet geschikt is voor akkerbouw, wordt als grasland efficiënt via koeien benut.
Nederland maakt nog altijd deel uit van de wereldeconomie maar produceert alleen nog voedsel voor eigen gebruik. De prijzen rijzen de pan uit. Veel kennis verdwijnt langzaam en van die bijzonder productieve agrarische sector is weinig over. De afhankelijkheid van diesel en internationale handel maakt ons kwetsbaar. Het is onrustig in de wereld. De mensen maken zich zorgen. Wat als er een crisis komt, een oorlog? Voedsel wordt allang niet meer gezien als economisch product, maar steeds vaker als onderdeel van strategische weerbaarheid.
In Den Haag spreken ze over de leefbaarheid van het dorp: over woningen, de school, winkels en openbaar vervoer. Maar in Sleen bestaat, net als in elk plattelandsdorp, ook een onzichtbare infrastructuur van mensen, machines, kennis en bereidheid om even te helpen. Agrarische gezinnen wonen én werken in het dorp, beschikken over materieel en hebben vaak sterke lokale netwerken. Een boer levert niet alleen melk, aardappelen of graan. Hij heeft een trekker, platte wagen, verreiker, shovel, aanhanger, gereedschap, een schuur voor een praalwagen én praktische kennis.
In 2050 is die zogenaamde zelfredzaamheid van Sleen sterk afgenomen. Voor verenigingsactiviteiten en feesten wordt steeds vaker een transportbedrijf, loonwerker of verhuurbedrijf ingeschakeld. Niet alleen heeft dit invloed op de prijs, maar ook op de cultuur. Het aantal dorpsactiviteiten is sterk verminderd. Mensen ontmoeten elkaar nog zelden, de sociale samenhang verdwijnt gestaag.
Het dorp waar landbouw, landschap, wonen, natuur en dorpsleven zo sterk verweven waren, is veranderd van een plattelandsdorp naar een woondorp op het platteland.
Is dit wat we willen?
Roelie Lubbers-Hilbrands