Het Wapen van Sleen
Ruim twintig jaar geleden verrees in Sleen aan de Bannerschultestraat appartementencomplex De Goornhoek. Tot die tijd stond daar Hotel-Café-Restaurant ‘Het Wapen van Sleen’, gebouwd in 1912. In mijn jonge jaren stond het pand bekend als Hotel Hoekman, genoemd naar de toenmalige eigenaar en uitbater. In het pand was ook een grote zaal waar feesten werden gevierd en andere bijeenkomsten werden gehouden. In de laatste week van november bijvoorbeeld brachten de Slener middenstanders daar in kramen hun waren aan de man en kochten de inwoners er hun sinterklaascadeaus. In die zaal stond in een hoek een jukebox. Het was het jaar 1965, ik was twaalf, en hoorde daar voor het eerst de legendarische gitaarriff van Keith Richards en de stem van Mick Jagger: I can’t get no satisfaction. Mijn vriendjes en ik konden er geen genoeg van krijgen. Daar bij Hoekman in Sleen, tussen de sinterklaaskramen, kreeg muziek ineens een andere dimensie. Dat vonden we wel even wat anders dan Brandend Zand en De Winter Was Lang Zonder Jouw Liefde. Het was, wat je zou kunnen noemen, een muzikale ontmaagding.
Later namen Jelle en Jacky Belksma Hotel Hoekman over. Ze waren begonnen in de zaal van het pand, die ze omtoverden tot Bar Hoekman. Op zondagmiddag kon je er dansen met de Zamora’s, tenminste als je haar niet te lang was, want dan kwam je een uitsmijter tegen die je de toegang weigerde. Op vrijdagavond was je met je lange haren daarentegen van harte welkom aan de bar. Een tweesporenbeleid dat moeilijk uit te leggen was, maar we namen er genoegen mee. In die tijd waren we gewend aan horecagelegenheden die je weerden vanwege je haardracht.
De laatste uitbaters van ‘Het Wapen van Sleen’ tot de sloop van het pand in 2005 waren Harm en Ellie Drijfholt. Ze waren de voorlopers van wat later de 24-uurseconomie zou gaan heten. Zeven dagen in de week kon je er zo ongeveer dag en nacht terecht. Ellie deed de keuken en Harm de bar. Maar als Ellie ’s avonds laat haar bed opzocht was Harm niet te beroerd om voor kroeglopers die laat in de nacht na een avondje stappen weer in Sleen arriveerden, de keuken in te duiken om na enige tijd weer tevoorschijn te komen met halve kippen, gehaktballen en uitsmijters. Het maakte niet uit voor wie, Harm kon met iedereen overweg. ‘Het Wapen van Sleen’ was ook shirtsponsor van het zaalvoetbalteam van de voetbalvereniging Sleen dat op maandagavond zijn competitiewedstrijden speelde. Na afloop gingen we (ik was er ook bij) uiteraard bij Driefholt, want zo werden ze genoemd in het dorp, een biertje drinken. Het eerste rondje was altijd van de zaak, evenals een grote schaal bitterballen die pontificaal midden op de stamtafel werd gezet en werd aangevuld als die leeg was. Het was altijd gezellig en het werd ook altijd laat. Ik kan me nog een avond herinneren die overging in de nacht. Een zwoele nacht. We zaten buiten op het terras. De nacht ging vervolgens over in de ochtendschemering en het werd licht. We waren nog met z’n drieën: Luuk Oosting, Harm en ik. Het dorp was inmiddels bezig wakker te worden, maar één dorpsgenoot zat al op de fiets. Het was Luuk z’n moeder met de fietstassen vol kranten. Ze keek verbaasd op toen ze ons zag. ‘Hé Luuk jij hier. Ik dacht dat je in bed lag.’
Dit verhaal schoot me te binnen toen ik vorige week hoorde dat Harm was overleden. Ze zijn er alle drie niet meer.
Harm Jan Geugies