Slener in de spotlight...
Weerverwachting
Print
 

Slener in de spotlight: Antinus Stock

Je zou niet zeggen dat hij al 95 jaar oud is. Even oud als de molen waar tegenover hij woont. Hij vertelt dat hij nog steeds op gymnastiek zit en laat ter plekke een aantal buig- en strekoefeningen zien die veel jongeren hem niet na zullen doen. We spreken met Antinus Stock, we zijn gekomen om met hem te spreken over zijn werk als schrijver. Maar Antinus vertelt veel meer, we vallen van de ene verbazing in de andere. Wat een bijzondere en energieke man van 95 jaar.

 

Met de molen heeft Antinus een bijzondere band. Deze band komt goed tot uitdrukking in het volgende gelijkenis:

Makkers
Geen gedicht in ’t zicht, maar een gelijkenis.

Als ik boven zit te schrijven en kijk door het raam, dan kijk ik pal tegen de molen met de mooie naam De Hoop aan. Wij hebben beide veel overeenkomsten, lees alvast maar door, vandaar de aanhef ‘Makkers’ en zo iets komt maar zelden voor.

Wij zijn beide van het zelfde jaar (1914)
Wij wonen beide aan dezelfde straat.
Wij kijken beide uit op het bejaardenhuis De Schoel
Wij hebben beide twee wereldoorlogen meegemaakt.
Wij hebben beide de wind in de zeilen gehad.
Wij hebben beide ook heel veel werk verzet.
Wij draaien beide nu nog voor ons plezier.
Wij waren beide aan een onderhoudsbeurt toe.
We hebben beide dan ook een renovatie gehad.
De molen een nieuw dak, steiger, wieken enz. enz.
Ik een kunstgebit, raampjes voor de ogen, enz. enz.
Het volk heeft van ons beide veel gerief gehad.
Het onweer hebben wij beide dicht aan de broek gehad.
De molen redde het door de bliksemafleiders en ik
in de Steeg door een inslag in een eikenboom,
waardoor ik door de luchtdruk tegen de grond sloeg.
Wij hebben beiden vier bazen gehad.
De molen twee maal Berends en twee maal Hidding.
Ik eerst boer, toen Keuringsdienst, DTV en Agrico.
Wij zijn beide ook al eens op de loop geweest.
De molen overkwam het door te sterke wind
en ik door teveel hooi op de vork.
Wij draaiden vroeger beide op volle toeren.
Wij wisten beide van geen ophouden en keken niet
op een uurtje meer of minder.
Wij zijn beide ons zelf gebleven
en op feestdagen doen wij beide de vlag uit.
Iedereen in Sleen kent de molen De Hoop die hoge blikvanger
en iedereen (?), nou ja, de meesten zullen we maar zeggen,
kennen dat oude mannetje met de hoed op dat regelmatig door Sleen fietst.
Er is wel één groot verschil en dat mag best gezegd worden ook.
De molen is door de jaren heen er veel mooier op geworden
en dat kan het volk helaas van mij niet zeggen..........

De man aan de lijn
Antinus schrijft al 65 jaar maandelijks voor de ‘De Balpen’, het clubblad van V.V. Sleen. Hij heeft in dit blad de vaste rubriek ‘Man aan de lijn’. In deze rubriek geeft Antinus in het Drents zijn mening over allerlei gebeurtenissen. Hij beperkt zich niet tot sport maar vertelt over de plaatselijke politiek, landelijke gebeurtenissen en ook internationale zaken komen aan bod zoals de olypische winterspelen en de ramp in Haϊti. ‘De man aan de lijn’ geeft zijn mening met een kwinkslag maar met een serieuze ondertoon. Na de serieuze boodschappen komt er dan toch wel weer een goede mop. Uit deze rubriek blijkt dat Antinus het nieuws goed volgt en geniet van de dagelijkse dingen zoals de natuur en de schoonheid van ons dorp.
De rubriek ‘Man aan de lijn’ is ouder dan V.V. Sleen. V.V. Sleen is opgericht in juli 1944. Vóór de oorlog was er ook al een voetbalvereniging in Sleen die ‘Club Sleen’ heette. Voor die club schreef Antinus ook al zijn rubriek ‘Man aan de lijn’.

 

ASTO
Onder het pseudoniem ASTO schrijft Antinus ook gedichten in ‘De Balpen’ zowel in het Drents als in het Nederlands.
De gedichten die Antinus schrijft heeft hij ook gebundeld in boekjes. In totaal heeft hij tot nu toe 27 boekjes uitgegeven in een beperkte oplage. Twee stapeltjes van deze boekjes bewaart hij thuis. Ze zijn bestemd voor zijn zoon Freddie en zijn kleinzoon Antoine. De bundeltjes zien er prachtig uit en zijn op de kaft allemaal voorzien van een tekening die Antinus zelf heeft gemaakt. De bundeltjes zijn ook te lenen in de biblitheek van Sleen.

 

We vragen Antinus wat hij zelf zijn mooiste gedicht vindt. Het is het gedicht ‘Het Doevennust’.

Het Doevennust
In t’ midden van oes knusse darpien,
daor stiet daor an de brink
een mooie rooie beukeboom,
wooroet ’t geroep van doeven klinkt.
Bij zunsopgan, vrog in de mörgen,
het brinkenvolkien nog in diepe rust,
dan bint zie daor al drok an ’t koerden.
Dan bouwt zie gezamelijk heur nust.

‘k Weet nog dat wy as kinder
under die koninklijke boom
daor naor neutis zöchten,
al waren die niet altied even schoon.
woor ik later in mien jeugd
mien eerste liefde vun.
Vaak denk ik nog werum an toen,
o. as die boom ies proten kun...

Woor bint aal die voetstappen bleven?
wij kind’ren gungen hier naor schoel.
Een nei spel wordt hier non bedreven
wij speult hier non het Jeu de Boules.
Maor heur ik het gekoer van doeven,
dan denk ik vaak an aleer
En zie ik ze weer oet ’n kanner stoeven,
bij het verleuren kinderbrukkien weer.

En non ik aold bin en versleten,
kom ik nog steeds hier weer.
Mij dan op het brinkenbankien neer zet,
wat wil een bejaorde man nog meer.
Naodreumend van een mooi verleden
in een dankbare diepe vree en rust
an tieden die veurbij mien ogen gleden
met iene oog umhoog gericht
naor ’t jonge leven in het doevennust...

Jeu de boules
In het gedicht heeft Antinus het over het spel Jeu de Boules. Hij vertelt dat hij als vierjarige voor het eerst dit spel in Sleen zag spelen. Het was in 1918 en er zaten in de Hervormde kerk en het lokaal (de kapel) Fransen en Belgen verborgen. Dit waren vluchtelingen uit de eerste wereldoorlog. De oude joodse synagoge werd in die tijd gebruikt als gaarkeuken.
Antinus is later zelf oprichter geweest van de Jeu de Boules vereniging in Sleen.

Schrijversbloed
Wanneer hij is begonnen met schrijven van gedichten weet Antinus niet meer precies. Voor zijn gevoel schrijft hij al z’n hele leven lang. Hij is vroeger boer geweest maar heeft ook jaren voor de keuringsdienst gewerkt en later als districtshoofd van Agrico. Voor deze baan was hij ook veel in het buitenland. Op werkdagen had hij dus niet veel tijd om te schrijven. Hij schreef zijn gedichten op zondag.
Hij schrijft zijn gedichten eerst met de hand en daarna typt hij ze boven, op zijn werkkamer, uit.

 

We nemen een kijkje in zijn werkkamer boven. Het is een prettige lichte ruimte met uizicht op de molen. In de kamer hangen enkele mooie pentekeningen die Antinus heet gemaakt.

 

We bladeren door zijn gedichtenbundels en worden geraakt door een prachtig gedicht. Deze keer niet in het Drents maar in het Nederlands. Het is getiteld ‘Even’ een bijzondere titel, zeker als je weet dat het geschreven is door iemand van 95 jaar.

Even
Aan de ketting van het leven,
heet iedere schakel “even”.
Even vreugd en even smart,
even een gebroken hart.
Even wand’len, even rusten,
even je geliefde kussen.
Even pijn om lieve dingen
die vroegtijdig henen gingen.
Even roekeloos doen of denken,
kan ons tot de dood toe krenken.
Even wennen om iets te bekennen,
kan ons leven rust en ruimte geven.
Even je in iets gaan vergissen,
kan voor lang, heel lang beslissen.
Even hangt zoveel van af,
jeugd en liefde, roem en eer,
pijn en zorgen, wat al meer.
In de ruimte van ons leven,
is alles even, maar heel even.

 

Veelzijdig

Antinus is nog steeds goed gezond. Alleen het lopen gaat minder. Fietsen gaat nog goed en als het weer het toelaat maakt hij zijn dagelijkse fietstocht. Antinus Stock is een veelzijdig man ‘Wat mijn ogen zien, kunnen mijn handen maken’ geeft hij aan. Zijn vrouw draagt enkele voorbeelden hiervan aan: houtsnijwerk, schilderijen en pentekeningen.

 
Over welk onderwerp je ook met Antinus begint, hij heeft er een verhaal bij, zowel over de actualiteit als over het verleden. Antiunus heeft de Jongbloedvaart nog zien graven, hij weet te vertellen dat er op de plek waar nu de brandweerkazerne is vroeger drie boerderijen hebben gestaan.
Antinus is een goudmijntje voor wie geinteresseerd is in de historie van Sleen en omgeving.
Voor deze rubriek houden we het bij zijn prachtige gedichten. We sluiten af met een mooi gevoelig gedicht dat ASTO schreef in de Balpen van januari 2010. En.... geheel in de stijl van Antinus sluiten we af met een goed mop!

Om nooit te vergeten

Onze eerste vakantie samen,
dat was een echt groot feest
Het lag direct in goede banen
al was het ook voor ’t eerst

Wij waren in de duinen
in Egmond aan de zee
Daar zag je niet veel kruinen
maar verder viel het mee

Wij zagen de golfjes kabbelen
en in de verte kwam een bootje aan
Wij hadden het te druk met ’t babbelen en lieten ons geweten gaan

Wij zaten in de luwte
mooi te blakeren in de zon
Wij zagen een man die zijn vrouw duwde, op de fiets, zo goed hij kon

Wij lagen nog wat te rusten
toen zij mij door de haren streelde
Dat was ’t moment dat ik haar kuste
en ik haar lief hartje steelde

Wat kan het leven mooi zijn
als je elkander kunt vertrouwen
Zo volg je dan de lijn
om een samenleven op te bouwen


De mop van de maond (Man aan de lijn uit de Balpen van maart 2010)
Aj je vrogger een zwientien slachten, dan was het miestal de gewoonte dat de domnee, de postbode, de buren en de naoste familie een soepstukkien kregen. Boer Berends die hung die gewoonte de keel oet. As aol domnee s-morgens argens een zwientien heurde gieren, dan was hij er ’s aovonds as de kippen bij um de vet te priezen. Zo was het non ok weer. Domnee kwam bij Berends en zee:
“Dat ziet er goed uit Berends! Daar zou ik ook wel een stukje van lusten”. “Dat kan ik mij best veurstellen” zee boer Berends. “Maar under ien veurwaarde. As y mij het verschil kunt vertellen tussen oeze lieve Heer en dit zwientje hier”. Hoewal domnee het een godslasterlijke opgave vun probeerde hij het wal, maor het lukte niet en zee “Ik geeft het op”. “Dan zal ik het domnee wal vertellen” zee Berends. “Oes Lieve Heer storf veur oes allemaol maor dit zwientien hier veur oes allen, dus domnee kreg er niks van”. Domnee dreup beteutert of en Berends ruup hem nog wal nao “Domnee wus de oplossing jao niet!”.

klik hier voor het album met alle foto's.

We hopen dat we nog lang van de schrijfkunsten van Antinus mogen genieten!

Jacqueline van der Hulst
April 2010

Foto’s: Hille Douma
 

archief