|
|
Slener in de spotlight: Albert Renting uit Noord-Sleen
Als de dagen lengen, begint de winter te strengen
Met de verrekijker probeer ik drie reeën, in de buurt van Noord-Sleen, dichterbij te krijgen. Een geit en twee kalveren blijken het te zijn.
‘Moi,’ klinkt het onverwachts achter mij. Een bekend gezicht knikt me vriendelijk toe. Wij kennen elkaar, Albert ... Albert Renting van ‘Tafeltje dekje’ rijden... 'Ja, ik heb reewild in de kijker.’ Zo’n ontmoetingspraatje begint vaak over het weer. Met alle clichés van dien. Dus borduren wij hier ook maar even over door. Wij vinden het terecht dat deze natte zomer ons alsnog tegemoet komt met een paar mooie, warme dagen. Andere zomers worden er bijgehaald, de één te veel droogte, de ander te veel nattigheid. Ook verschillende winters passeren ons weerpraatje.
Zo komen wij terecht in 1979, een winter met bar veel winterse overlast
Een winter die Albert nog goed in herinnering heeft. Na vijf jaren gewerkt te hebben bij de Werktuigen Vereniging Sleen en omgeving wordt hij aangenomen als ambulant chauffeur bij de DOMO op een melktankwagen. Ambulant betekende in dit geval dat er geen vaste route gereden wordt. Albert was overal inzetbaar en haalde melk uit alle hoeken en uithoeken van de provincies Drenthe en Groningen.
De melkfabriek in Noordbarge was standplaats. Hier overnachtte ook de DAF tankwagen met aanhanger,met een capaciteit van respectievelijk 9000 en 18000 liter. Aflevering van de melk vond in de meeste gevallen plaats bij de DOMO fabriek in Beilen.
Begin januari 1979 draaide de wind naar noord/noordoost met veel sneeuw en kou.’s Nachts vroor het meer dan 20 graden. Een dooifront zorgde in het hele land voor langdurige ijzel. IJzel ging over in zware sneeuwval. Een felle, brutale oostenwind wakkerde aan tot stormachtig. Wegen waren moeilijk begaanbaar. Vooral in Zuidoost Drenthe werd de situatie dramatisch. In noodgevallen werden dokters en veeartsen met tractoren gehaald en gebracht. Ja ... wij kregen er goed van langs. In Schoonebeek zaten veel huizen tot de dakgoten in de sneeuw. Albert was net een week in dienst als melkrijder!
Albert viel niet met zijn gat in de boter!
Om het maar in zuiveltermen te houden. Albert: ’s Morgens al wat vroeger uit de veren, want ik zag de bui al hangen. Eerst moest ik in Noordbarge zien te komen. Maar dat lukte voor geen meter met de auto. Fenna met de trekker er voor naar de N381. De aansluiting van Noord-Sleen naar de N 381 was toen nog eenvoudig, het fietstunneltje lag er nog niet. Slippend en glijdend wist ik de fabriek te bereiken. Eerst wat heen en weer gepraat of het wel verantwoord was om te rijden. Uiteindelijk, gewapend met een bats en een en een graanschop, stuurde ik de DAF richting Borger. Onderweg zo links en rechts wat kleine aanrijdingen. Bij Westdorp ging het bijna mis, de aanhanger gleed in een flauwe bocht met de achterwielen in een greppel. Een sterke John Deere wist het geheel weer op de weg te krijgen. Vier keer had ik die dag externe paardenkrachten nodig om weer op glee te komen. Onderweg hield ik telefonisch, contact met het kantoor in Noordbarge. Ik belde dan bij boeren, mobieltjes waren er nog niet. Om een uur of vier kreeg ik het advies de route Drouwen / Gasselte te laten liggen, alles zat potdicht. De melk naar Beilen rijden, dan terug naar Noordbarge.
‘s Avonds om negen uur weer in Noord-Sleen. Fenna en een Beerenburgje maakten veel goed.
De wekker vertelde, de andere morgen om half zes, dat er weer werk aan de winkel was
Vrijdagmorgen met nog meer moeite naar Noord-Barge. De wind was gaan liggen maar de overlast van sneeuw was de afgelopen nacht alleen maar toegenomen. Gelukkig kreeg ik versterking van nog een chauffeur en een bijrijder. De aanhanger bleef bij de fabriek, daar was niet meer mee te rijden. Uitgerust met extra graanschoppen ronkten wij naar de eerste boer. Er moest gereden worden, bij enkele boeren stond de melk al tot de lippen, boerderijen waren al een paar dagen onbereikbaar. Er kwam wat meer organisatie. Met shovels, trekkers met schuivers en mankracht werden met man en macht de aan en afvoerroutes naar boerderijen weer begaanbaar gemaakt. Overvolle tanks, teilen, emmers, plastic vijvers gespannen tussen strobalen, zelfs een roeibootje bekleed met plastic, alles vol melk.
De harde wind met een temperatuur van ver onder nul gaf poolkou. Bij het uitgraven voor de zoveelste keer die dag met verkleumde handen en voeten, werd je gastvrij door menige boer uitgenodigd voor snert, koffie, pannenkoeken enz. Veel tijd was er niet om hier van te genieten. Het was een staande receptie. Voor onderweg kreeg je soms een dreuge worst.
Wit, wit en nog eens wit
Dieselolie ging in die tijd vlokken bij een temperatuur van ongeveer 20 graden onder nul.
Dat 'vlokken' houdt in dat de motor begint te stotteren en er mee stopt. Een paar liter benzine toevoegen bij het tanken van dieselolie voorkomt dit probleem.
Verschillende collega’s die dit verzuimden, hebben de nacht moeten doorbrengen in een vriezende cabine. Ook was de melkpomp vaak bevroren en kon er geen melk opgezogen worden. Emmers heet water deden dan goede diensten. Doordat de aanhanger met tank was afgekoppeld was er aanmerkelijk minder litervolume. Zodoende moest er vaker naar Beilen gereden worden. Om acht uur ’s avonds was zestig procent van de melk afgehaald. Er zat niets anders op dan de nacht door te rijden. Het stuur werd met tussenpozen geruild, Om beurt werden er hazenslaapjes gedaan. Met je hoofd op een opgerolde jas tegen de deur kwam je zo in dromenland. Het werd een zware nacht, Spitten en nog eens spitten, tractor er voor, op naar de volgende klant.. Dagen om nooit te vergeten. De volgende dag, zaterdagmorgen, reed ik om zeven uur de baander weer binnen in Noord-Sleen. Toen Fenna vroeg of ik zin had in een glas warme melk, heb ik laten weten geen melk en sneeuw meer te kunnen zien.
Waardering en een extra duit in het zakje maakten veel goed.
Tekst: Ben Offringa
De foto's bij het artikel zijn afkomstig uit het privé archief van Albert Renting en zijn ter illustratie aan dit 'historisch' verhaal toegevoegd.
foto album
archief
|
|