Vrijdagochtend

Het is voor mij weer een gebruikelijke vrijdagochtend. Eerst naar de fitness, waar zo in de loop der jaren de standaard opmerkingen wat zijn veranderd. De vraag  “Heb je het luie zweet al los?” is ingeruild voor de opmerking “Zo, de koppakking kapot?” In stilte lach ik even in de wetenschap dat het weekend weer in zicht is. Na de fitness is er een zelfde patroon op de vrijdagochtend. De onderlinge taakverdeling thuis, die ik heel plezierig vind. Voor mij  betekent het, dat even de wekelijkse voorraden worden aangevuld. Wat kaas bij Alfred en brood bij Herman en Wemmie en de overige zaken bij AH. Zo’n vrijdagochtend dus.

Deze keer mag het onder het “gezang” van de bladblazers. Na deze geweldige zomer is het inmiddels herfst. De eerste nachtvorst hebben we gehad en dus zijn er de vallende bladeren, heel veel door de stevige oosten wind. Er is in ons dorp de mooie gewoonte ontstaan, om op verschillende plekken het blad aan de gemeente aan te bieden. Dus ook nu ontstaan er weer van die mooie bergen herfstblad op de hoek van bijna iedere straat of in het plantsoen. Ook waar dat bordje staat: “Hier geen blad deponeren” groeit de berg weer met de dag. Ja, een beetje burgerlijke ongehoorzaamheid zit er bij de meesten van ons wel in.

Heel anders is dat met het gebruik van de glasbak. Die gebruiken we volop. Sinds de zomer zijn er van die mooie, ondergrondse bakken. Drie ringen in verschillende kleuren geven aan, welke kleur glas waar in moet. Blijkbaar is dat niet iedereen duidelijk. “Daar moet het in”, zegt zij, wijzend op de groene ring. Hij heeft één groene fles in de hand. De fles verdwijnt in de groene koker. Wat mij tot de opmerking brengt: “Als dat alles is, dan hebben jullie nog geen last van te veel drank”. Zij glimlacht, hij legt een hand op mijn schouder. Het blijkt wel mee te vallen, wordt duidelijk. “Alleen als er bezoek geweest is”, zegt zij. “Dan moeten daarna de flessen leeg”, vult hij aan. “Daarom vragen wij veel en vaak bezoek ” is mijn reactie. “Moeten de flessen vaak leeg”. Wat bij hem een brede lach oproept en een twinkeling in zijn ogen. Alsof ik hem op een idee breng.

Samen steken ze de weg over, naar de kaasboer. En ik schuif met mijn kar AH binnen. Waar, aan het einde van het eerste pad, zo’n bekende situatie ontstaat. Twee mannen, beiden met zo’n grote kar, willen hetzelfde pad in. En blijven staan om de ander voor te laten gaan. Het lost zich van zelf op, hij gaat eerst. Achter zijn vrouw aan, zo blijkt.

“Dus je mag vanmorgen rijden”, voeg ik toe. Er volgt een tevreden grijns. Dat blijkt iedere vrijdag zo te zijn, zo vertelt hij. “Ik achter de kar om te drukken, zij er voor om die te vullen”. En dat houden we er in, maakt zij duidelijk en bukt zich om wat te pakken ergens onder uit een stelling. “Ja, zo gaat dat”, zegt hij. Met duidelijk plezier achter de winkelwagen en blij met een praatje.

Ik ga nog even de straat over, kaas halen. De kaasboer groet met “goedemorgen”. De kaasboerin, zijn zus,  met “goedendag”. “Hij stopt zo en ik werk de hele dag”, legt ze het verschil uit. Waar de kaasboer het niet mee eens blijkt te zijn. Er zijn een paar mensen voor me, dus even wachten. De kaasboer blijkt naar Zwitserland geweest te zijn. Wat ongeveer iedere klant schijnt te weten. In ieder geval de mensen voor mij. En bij de vraag, hoe het geweest is, komt er steeds weer een enthousiaste reactie. Mijn gebruikelijke vrijdagochtend wordt op deze manier altijd bijzonder.

Genieten van de kleine gesprekken en opmerkingen. Dat maakt het mooi: de vrijdagochtend dorpsgesprekken.

Teun de Vries

Naar archief